
Over zijn moeder, maar toch vooral over het opgroeien van het jongetje van de foto, verhaalt deze prachtige roman. Hoe het toe gaat in zo’n merkwaardige ambiance, zonder vriendjes.
Waardoor hij des te meer afhankelijk wordt van zijn gezinsleden. Maar hij gaat liever het bos in, om het daar uit te vechten met denkbeeldige vijanden.
En dan bij afwezigheid van zoiets als stopcontacten en water uit de kraan, een douche. En geen verlichting in zijn slaapkamertje, zodat het er in de nacht altijd zwart blijft en het denken er soms boosaardig. Maar waarbij hij wel dagelijks naar school moet en – angstwekkend zoals de mensen altijd voor hem zullen blijven – daar de omringende wereld moet trotseren. Wel tenslotte Grieks en Latijn zal leren, wiskunde, geschiedenis, maar niet met mensen omgaan. Aan het slot van dit boek zal hij gaan studeren, een afscheid van zijn leefwereld. Dan vindt hij het belangrijk af te wegen wie zijn ouders eigenlijk waren.
Hoe is het mogelijk…
… dat de leden van de familie Walkur elkaar in die afgelegen bosenclave verdragen? Of verdragen ze elkaar juist niet – en vertrouwen ze de samenleving al helemaal niet?
Met moeder Johanna, die vroeger een succesvol schrijfster was, maar tegenwoordig moet schoften voor haar gezin en aan schrijven niet meer toekomt.
De kinderen, die in deze autobiografische roman overdag en ook wel ’s nachts (want bang zijn ze niet) de bossen in vluchten om elkaar uit de weg te gaan? Dus de Natuur in, met zijn zandverstuivingen en alle mogelijke vegetatie die bij hen in alle richtingen aanwezig is. Die immers direct voorbij de voordeur begint.
